SOK-Mededelingen 40

Terug naar SOK-Mededelingen Samenvattingen


Grenzeloos Caestert, gebukt onder grenzen.
Ton Breuls

De Groeve Caestert wordt opgedeeld door twee landgrenzen: het Nederlands en Belgisch deel en daarnaast is het Belgische deel verdeeld over het Vlaams en Waals gewest. Door de verschillende wetgeving is er een versnipperend beleid betreffende het gebruik, behoud, beheer en bescherming. Ondergronds zijn er weinige tastbare zaken, die verwijzen naar de grenzen, Een uitzondering daarop zijn de drie muren, die op de grens van Nederland en België in 1948 en 1949 zijn opgetrokken.

Deze grensafscheiding heeft echter niets te maken met douanebepalingen of andere zaken, die twee landen kunnen scheiden. De ware reden voor deze fysieke afbakening is het gevaar, dat ontstond bij het oprichten van de stortkegel, “d’n Observant” en die door zijn enorme gewicht het onderliggende gangenstelsel deed instorten. Door de luchtverplaatsingen, die door de instortende gangen worden veroorzaakt, ontstond er reëel gevaar voor de champignonkwekers, die in het Belgische deel van de groeve werkzaam waren. Om aan deze levensgevaarlijke situatie een einde te maken werden drie keermuren gemetseld en een schacht afgediept, om de luchtverplaatsingen naar buiten toe af te voeren. Het artikel beschrijft de voorbereidingen en de correspondentie, die tussen de ENCI en de diverse overheidsinstanties gevoerd werden om deze grens te creëren.

Een drietal insectensoorten in onderaardse kalksteengroeven en fortificaties. Amblyteles quadripunctorius, Hypena rostralis, Triphosa dubitata.
John Hageman & Willem Vergoossen

Tijdens de winterse tellingen van vleermuizen en bij andere bezoeken in de onderaardse kalksteengroeven en fortificaties vallen onvermijdelijk ook de overwinterende insecten op. Naast de bekende dagvlinders Dagpauwoog en Kleine vos en de nachtvlinder Roestje zijn er ook insecten en vlinders, die minder opvallend hun verblijf in de groeven hebben gekozen.

De beide auteurs hebben in samenwerking met de vleermuistelgroep sinds het begin van de jaren negentig de waarnemingen van enkele andere insecten systematisch geregistreerd. Speciale aandacht ging er naar de sluipwesp Amblyteles quadripunctorius en de twee vlinders Hopsnuituil (Hypena rostralis, Linnaeus 1758) en de Grote boomspanner (Triphosa dubitata, Linnaeus 1758). Tijdens de tellingen van vleermuizen werden de betreffende met naam, aantal en exacte locatie op de groeveplattegronden ingetekend. Per soort en per groeve of andere ondergrondse locatie zijn de aantallen gevonden exemplaren in een grafiek verwerkt.

Zool.mus, Zoolmus, Koolmus, Koolmees?
A.M. Voûte

Tijdens zijn studententijd in 1952 werd melding gemaakt van het onwaarschijnlijke voorval, waarbij een Koolmees gevonden zou zijn, die voorzien was van een vleermuisring. De veronderstelling was toen dat het woord Coelmoes (een coel of kuil is een groeve) via Coolmoos tot Koolmees was verbasterd. Tijdens het ordenen van de archieven van vleermuisonderzoekers van de Universiteit van Utrecht en Amsterdam kwamen enkele losse papiertjes boven water, die de oplossing van het 50 jaar oude raadsel wellicht wat dichter bij brengen.

Debet aan dit alles waren enkele notities van terugmelding van een gevonden vleermuis. Op de ring stond ondermeer ZOOL.MUS.Utrecht.Holland. De afkorting van het Zoölogisch Museum werd gelezen als Zoolmus. Een andere terugvondst van een doodgeslagen (!) vleermuis met ring vermeld het woord Koolmus. Waarschijnlijk was de voor buitenstaanders onbegrijpelijke en op de min of meer kaal gebeten ring moeilijk leesbare term Zool.mus, die tot Koolmus en ten slotte tot Koolmees verbasterd was. Daarnaast is er nog het feit, dat soms kwistig met het uitdelen van ringen werd omgesprongen en dat in een enkel geval vleermuizen werden gering met openknipte ringen van kanaries. Zo kwamen de raadsels in de wereld.

Johan Theodoor van Beieren in de Zonneberg.
Jaap Brandsma & Martin Hoogerwerf

In de Zonneberg staat een prachtig chronogram, met daarnaast een rijk versierd wapenschild. Het chronogram heeft betrekking op het sterven van Jan Theodoor van Beieren, die prins-bisschop van Luik was tot zijn sterfdag op 27 januari 1763. Het opschrift van het chronogram luidt: “Den prIens Van LUYCk Is oVerLeDen Den seVentWintIgste Van JannUWarrIU”.

De grote letters geven, als Romeinse cijfers, bij elkaar opgeteld het jaartal 1763 aan. Naast het chronogram staat ook nog rijk versierd wapenschild, bekroond met een kardinaalshoed. Tot voor kort werd aangenomen dat dit het familiewapen is van bovengenoemde prins-bisschop, maar de samenstelling is erg complex. De auteurs hebben stap voor stap het wapen ontleed en zijn tot de conclusie gekomen dat het de 5 gebieden omvat, die oorspronkelijk tot het prinsdom Luik behoorden. Daarnaast blijkt uit de versieringen rond het wapen en met name de hoed met aan beide kanten een aantal kwasten, dat de prins-bisschop een heuse kardinaal was.

De betekenis van het woord pondeur.
Henk Blaauw

In de Caestergroeve staat een oude tekst, die wordt gekenschetst als een opschrift met de oudste datum, die tot nu toe in de gangenstelsels van het mergelland is gevonden. De tekst staat als volgt (vertaald) weergegeven: Lambier le pondeur is hier geweest in het jaar 1468 de 19 dag van augustus.

Over de juiste vertaling van podeur (pondeur) is veel gediscussieerd, er zijn verschillende woorden in de loop der tijd voor aangedragen. Onderzoek van de Universiteit van Luik, alsmede de raadpleging van speciale dialectwoordenboeken levert maar een correcte vertaling op: Het oude woord pondeur betekent schilder. Maar wie Lambier nou in het echt is geweest, blijft nog (voorlopig) in het ongewisse. Vast staat dat Lambier een oude familienaam is, dus kunne we lezen: Lambier de schilder.

Verslag van de vleermuistellingen in de winterperiode 2001/2002 t/m 2003/2004.
Jos Cobben

Al jaren worden in de winter een groot aantal Zuidlimburgse mergelgroeven en enkele forten rond Maastricht doorzocht op overwinterende vleermuizen. Het resultaat van de laatste vier winters is verwerkt in het verslag.

Het toont aan dat het aantal vleermuizen in de winterkwartieren soms sterk kan fluctueren. De oorzaken zijn divers. Deugdelijke afsluitingen en goed beheer zullen ongetwijfeld bijdragen tot een geleidelijke toename van de populatie. Daarnaast is het verloren gaan van zomerverbllijven door bijvoorbeeld boomkap of verkeerde renovatie van gebouwen fataal. Ook verstoringen zoals illegale bezoekers, grottenfeesten, overlevingstochten en ander verkeerd gebruik dragen natuurlijk niet bij tot een optimale rust en overlevingskant voor de dieren.