SOK-Mededelingen 43

Terug naar SOK-Mededelingen Samenvattingen


De Berg van Haesen te Eben-Emael. Samen met de laatste schachtblok verdween een unieke groeve.
Ton Breuls en Luck Walschot.

Herman Haesen was een bijzonder man. Eind jaren ’40 van de vorige eeuw wilde hij als zoveel mensen uit die tijd een lucratieve boterham verdienen met de toe zeer florerende champignonteelt, maar de onderaardse groeven waren alle reeds in gebruik door andere champignonkwekers. Hij besloot van de nood een deugd te maken en dan maar zijn eigen groeve te exploiteren. Daarmee zouden immers ook extra inkomsten verkregen worden door de winning van bouwsteen. Hij begon op de grens van het Vlaamse Zichen en het Waalse Eben-Emael met het graven van een 42 meter diepe schacht om de winbare steenlaag te kunnen bereiken. Daarnaast ontwikkelde hij in het diepste geheim een zaagmachine, om kant en klare blokken uit de wand te kunnen zagen. De machine was zo uniek, dat hij er zelfs octrooi op kreeg. Bij de ontwikkeling van de machine en later, tijdens het gebruik in de groeve, was Herman zo strikt in zijn bijna fobieachtige geheimhouding, dat slechts naaste familieleden op de hoogte waren of later in de groeve werden toegelaten.

Herman begon met de winning van blokken in 1948, maar na een zwaar ongeluk kwam de echte exploitatie omstreeks 1957 nagenoeg stil te liggen. Af en toe werden er later nog wel, maar dan op veel kleinere schaal, blokken gewonnen, tot begin van de jaren ’60.

De teelt van champignons, die rond 1955 begon, kende geen groot succes. Mogelijk was de vakkennis van de ingehuurde krachten niet voldoende om deze bedrijfstak rendabel te maken. Ook met deze handel stopte Herman na zijn ongeluk. Na een vruchteloze poging varkens in de groeve te houden, lag de groeve jaren verlaten, totdat in 1984 een champignonkweker met meer succes zijn geluk ondergronds ging beproeven.

Door de aanleg van een nieuwe rondweg N671 om de dagbouwgroeve “Romont” van de CBR diende de groeve te verdwijnen. In 1998 en 1999 werden meer dan honderd boorgaten gemaakt, waarlangs vloeibare cement de groeve werd ingepompt. Zo verdween de jongste groeve uit het mergelland en rest alleen nog maar een kale rotonde bovengronds ter herinnering.

Door den St. Pietersberg in 1714. Een gedicht.
Peter Jennekens

Tijdens onderzoek in archieven van de Limburger Koerier trof de auteur een artikel uit 1929 aan, waarin een gedicht besproken werd over de Sint Pietersberg. De schrijver van dit gedicht uit 1714 was Francois Halma, een schrijver, maar ook drukker en boekenverkoper uit Leeuwarden. De titel van zijn boek spreekt voor zich: Het kasteel van Aigermont (het huidige chateau Neercanne) en d’omleggende landtstreeken in de Heerlykheit van Nederkan, nevens de stadt Maastricht; in heldendicht afgeschetst door Francois Halma. Hier is bygevoegt eene Rede tot lof der Dichtkunde.

In het boek neemt de St. Pietersberg maar een kleine plaats in. De journalist van de Limburger Koerier beschrijft in prachtig bombastische taal, eigen voor die tijd, de reisbeschrijving van Halm in dichtvorm van twee eeuwen daarvoor. Hij voorziet de diverse strofen van zijn eigen commentaar, wat het geheel een zeer vermakelijk en goed leesbaar artikel maakt. Het boeiende van het artikel van Jennekens is zijn weergave van de kijk van een journalist op de onderaardse groeven van zo’n 80 jaar geleden, die zelf weer 200 jaar terug blikt op de toen gangbare kijk van een bezoeker van de ondergrondse St. Pietersberg.

Gereguleerd groevebezoek in de negentiende eeuw als begin van structureel groevebeheer; van Valkenburggroeve naar Gemeentegrot.
Jacquo Silvertant

Tegen het einde van de 19e eeuw was het voor veel mensen duidelijk, dat het toenemende vreemdelingenverkeer een groeiende bron van inkomsten betekende voor Valkenburg en omgeving. Tussen 1885 en 1891 hadden de leden van de Vereeniging “Het Geuldal” altijd vooraan gestaan, wanneer er profijt te halen viel uit de jaarlijkse stroom toeristen. Hoewel er in Valkenburg andere partijen actief waren, die ook hun graantje wilden meepikken, lukten het hen niet vóór 1891 om de monopoliepositie van Het geuldal te doorbreken. Toen in dat jaar de machtsverhoudingen in de Valkenburgse gemeenteraad verschoven, lukte dit wel. Het conflict zou de geschiedenis ingaan als de beruchte Bergkwestie. Door dit conflict werd de Valkenburggroeve de eerste toeristische, volgens plan geëxploiteerde mergelgroeve en is er dus sprake van de Gemeentegrot met het exploitatierecht voor de gemeente zelf.

Voorheen voerde Het Geuldal een vrij strikte organisatie van de activiteiten in de groeve. Men had zelfs een reglement opgesteld, waarin men vrijwel elke situatie had vastgelegd, die zich zou kunnen voordoen. In dit artikel wordt het reglement uit 1886 in zijn geheel weergegeven. Ook de gidsen waren gebonden aan een uitgebreid reglement, waarin hun rechten en plichten uitgebreid werden vastgelegd.

De auteur beëindigd zijn artikel met een weergave van een proces-verbaal uit 1922, waarin een vrij bejaarde gids door twee jonge vrouwelijke toeristen beschuldigd wordt van onzedelijke betasting. Na onderzoek en confrontatie met de beide slachtoffer werd de 75 jaren oude man ontslagen en werd hem tevens de toegang tot de groeve verboden.