SOK-Mededelingen 45

Terug naar SOK-Mededelingen Samenvattingen


Sint Pietersberg. Over oude ingangen en smokkelaars
Rob Heckers

Uit oude prenten blijkt dat ten zuiden van Lichtenberg tot aan het kasteel van Caestert vele ingangen naar de diverse gangenstelsels van de Sint Pietersberg hebben gelegen. In dit artikel wordt echter ingegaan op enkele historische ingangen ten noorden van Lichtenberg. In het voormalige weekblad de Prins (van 29 januari 1917) stond een foto van een ingang afgedrukt, die de schrijver lang geïntrigeerd heeft, vooral ook omdat het bijschrift niet geheel conform de waarheid was. De ingang werd toegeschreven aan de Zonneberg, maar blijkt na onderzoek de Lichtenbergingang te zijn, die ondermeer gebruikt werd voor het transport van gewonnen losse mergel.

In de Prins werd ook gesproken over herberg de Roode Haan, een nu verdwenen uitspanning ter hoogte van de cementfabriek ENCI, en die onlosmakelijk verbonden is met de geschiedenis van Sint Pieter en zijn berg. De Sint Pietersberg was verbonden met groeven op het grondgebied van België, maar ten tijde van de Eerste Wereldoorlog waren de meeste ondergrondse verbindingen op al of niet natuurlijke wijze versperd. Smokkelaars kenden de weg echter op hun duimpje en wisten hoe ze van noord naar zuid moesten gaan. Wel moesten ze dan de groeve ter hoogte van Lichtenberg verlaten, om daarna iets verder op, via een ingang achter de Roode Haan, weer naar binnen te duiken. Er werd veel gesmokkeld, ook met oogluikende toestemming van de Duitse bezetters in België. De Nederlandse pers kreeg lucht van de smokkelpraktijken en de aanhoudende berichten hierover deed de Nederlandse overheid besluiten om de ondergrondse verbindingen voorgoed af te sluiten.

Na onderzoek door de Genie bleek dat daar drie ingangen voor in aanmerking zouden komen. Zouden die door springstoffen opgeblazen worden, dan was er ook geen mogelijkheid meer om via de ondergrondse stelsels België te bereiken. De ingang achter de Roode Haan was een van die plaatsen, maar door afwezigheid van de eigenaresse van deze ingang -ze verbleef in het buitenland- kon er geen toestemming verkregen worden en werd er geen vergunning voor opblazen afgegeven. Zo bleef de verbinding met Slavante toch gehandhaafd. Uiteindelijk werd slechts één ingang vernietigd omdat de andere dicht bij de grens lag en zo beter te bewaken viel.

In de Eerste Wereldoorlog (rond 1918) werd in het grootste geheim het smokkelgat gemaakt, als verbinding tussen Slavante en het Zuidelijk stelsel, dat deels onder België liep. Het was slechts bekend bij enkele gidsen en was haast perfect gecamoufleerd en de juiste plaats bleef tot eind jaren twintig verborgen. Ten slotte wordt in het artikel een beschrijving gemaakt van de ingang van Slavante en de Mussenberg. Dit laatste was een soort tunnel, die men moest passeren om Slavante te kunnen bezoeken. Er bestaan nog vele postkaarten over de Mussenberg en de entree van Slavante, die ook wel de “drie looker” (drie gaten) werd genoemd.

De graafrichtingen van de bovenste ontginningsfase van de Caestertgroeve
Max Wijnen

Bij het onderzoek naar de ontginningsgeschiedenis van de mergelgroeven speelt de graafrichting een belangrijke rol. Aan de hand van de richting, waarin de blokbrekers gedurende eeuwen de mergelblokken uit de wanden zaagden en kapten, kan informatie verkregen worden over het ontstaan van de uitgebreide labyrinten van de Limburgse mergelgroeven.

Men kan de graafrichting op wanden en plafonds aan een drietal verschillende kenmerken herkennen. Allereerst door de zogenaamde verkanting, het naar voren verspringen van de mergelwand. Om bewegingsruimte voor zijn hand te behouden, plaatste de blokbreker zijn zaag langs de wand zodanig, dat hij enigszins schuin inwaarts zaagde. Met een strijklicht langs de wand zijn die inspringen goed te zien. De lichtbundel wijst als het ware in de richting, waarin de ontginning plaats gevonden heeft.

De kap- of zaagsporen langs het plafond zijn ook een kenmerk van een graafrichting, evenals de driehoekige zaagsneden, die ontstonden bij het vrijmaken van het eerste mergelblok in het mergelfront. Het laatste kenmerk is niet overal toegepast, in tegenstelling tot de eerste twee vernoemde.

Aan de hand van de drie kenmerken is een gedetailleerde graafrichtingenkaart van de Caestertgroeve samengesteld. Op de “werk”plattegrond zijn pijlen ingetekend, die aan de hand van de drie kenmerken, de graafrichting aanduiden. Om de “leesbaarheid” van de kaart met al die pijltjes te bevorderen, zijn ze “vertaald” in grotere pijlen, die de globale ontginningsrichting aanduiden. Een verdere verfijning ontstaat door de doorbraken in kaart te brengen. Dit zijn de plaatsen in de groeve, waar graafrichtingen met elkaar botsen en zijn minstens zo belangrijk om de ontginningsgeschiedenis in beeld te brengen.

De kaart geeft enkel de graafrichting van het bovenste (is het eerste of het oudste) ontginningsniveau. De kaart is een basis voor verder onderzoek naar de ontginningsgeschiedenis van de groeve

Bij de uitgave van SOK-Mededelingen 45 is een losse kaart op A3 formaat bijgevoegd.

Historische beeldvorming. Het oorspronkelijk aanzien van de mergelgroeven in de zuidelijke hellingrand van het Geuldal tussen Houthem en Meerssen.
Jacquo Silvertant

Langs de zuidhelling van het Geuldal loopt evenwijdig met de Geul de oude wandelweg van Valkenburg naar Meerssen. Ter hoogte van Houthem komen de mergellagen in steeds steiler wordende rotswanden aan de oppervlakte. Hier heeft men van oudsher de onderaardse mergelgroeven aangezet, waarvan men tegenwoordig nog de vele ingangen kan zien. Toch is er veel verdwenen van het oorspronkelijke landschap, waarin de groeven werden geopend. Vooral als gevolg van dagbouwwinning van mergel in de eerste helft van de twintigste eeuw zijn veel ingangen, maar ook veel groeven verdwenen.

Aan de hand van landschapskenmerken en oude foto’s is een reconstructie gemaakt van het oorspronkelijke landschap en haar mergelgroeven.

De meeste groeven waren niet erg diep en waren in een soort lintontginning ontgonnen. De ontginningen waren vaak incidenteel, kleinschalig, de steen was van slechte kwaliteit en men kampte met geologische storingen. Sommige van die kleine stelsels groeiden later als het ware aaneen tot grotere gangenstelsels.

Op oude foto’s is te zien dat er ook al voor 1900 dagbouw plaatsgevonden heeft. Veel rotswanden vertonen ingangen op onbereikbare hoogten en dit kan erop wijzen, dat de hellingen oorspronkelijk een meer glooiend verloop hadden.

De meest ingrijpende verandering van het landschap vond in de jaren dertig plaats, toen de helling met daarin de beroemde grotwoningen werd afgegraven en het oorspronkelijk aanzien onherstelbaar vernietigd werd. Het totale aanzien van de oorspronkelijke hellingen werd beïnvloed door steenwinning in dagbouw, die reeds voor 1900 moeten hebben plaatsgevonden.

In de meeste gevallen lagen de onderaardse mergelgroeven in twee niveaus boven elkaar, waarvan vooral de bovenste laag door latere dagbouw is verdwenen.

De reconstructie van het historische landschap kan helpen bij het juiste interpreteren van de deels nog aanwezige authentieke elementen van middeleeuwse bouwsteenwinning.

Nicolaus Caris
John Caris

Oude opschriften in de onderaardse mergelgroeven kunnen heel boeiend zijn en een tocht langs de vele opschriften worden soms als een soort tijdreis ervaren. Vooral de Sint Pietersberg met zijn tienduizenden opschriften is favoriet bij menig onderzoeker. Als men een naam leest, komen bijna vanzelfsprekend vragen naar voren als wie hij of zij eigenlijk was, wat de persoon in de groeve te zoeken had, hoe hij er uit zag, enzovoort. Toen de schrijver de naam Nicolaus Caris op de wanden van de Zonneberg en het Noordelijk gangenstelsel zag, kwam de vraag erbij: “Is het een verre voorvader?” en ging hij op zoek naar zijn 17e eeuwse naamgenoot.

De naam Nicolaus Caris komt veelvuldig voor en een onderdeel van het onderzoek was waar en hoe vaak. Daartoe werden de wanden nauwgezet afgespeurd en werd de gevonden naam op een plattegrond ingetekend. In de Zonneberg werd 93 keer de naam Caris gevonden, in het Noord 69 keer. In totaal 162 opschriften van Nicolaus Caris. Uit archief van Jan Spee blijkt dat in het restant van Slavante en de Wilde Berg ook de naam voorkwam, maar ze zijn nooit allemaal gedocumenteerd en nu door afgraving verdwenen. Met de gegevens uit het archief is in totaal 192 keren de naam Caris geteld, waarvan 171 keer zonder voornaam. De voornaam heeft verwante schrijfwijzen, als Nicola(a) of Niclaes.

De opschriften zijn 23 keer gedateerd, tussen 1669 en 1679. In die periode van 11 jaar ontbreken 4 jaartallen.

Door archiefonderzoek moest duidelijk worden welke persoon achter de naam schui lging. Er staan meerdere personen in de diverse registers vermeld, maar na wegstrepen bleef er vermoedelijk een Nicolaus Caris, die de groevebezoeker kon zijn. Ten tijde van zijn bezoeken was hij tussen 41 en 52 jaar oud. Een parallel lopend genealogisch onderzoek heeft wel duidelijk gemaakt, dat Nicolaus geen voorouder van de schrijver was.

Een uitgebreid onderzoek naar de ontginningsgeschiedenis van de Sint Pietersberg heeft aangetoond, dat Nicolaus Caris voornamelijk zijn naam gezet heeft in gebieden, waar weinig tot geen ontginactiviteiten in die periode waren. Omdat hij regelmatig zijn naam schreef met andere bergbezoekers samen, is het vermoeden ontstaan, dat hij een gids of een bergloper kan zijn geweest en géén blokbreker of voerman.