SOK-Mededelingen 48

Terug naar SOK-Mededelingen Samenvattingen


Over het wonen in een grot, de verkoop van een kalf in 1730 en het raadsel van Mettenberg VI
John Hageman en Peter Jennekens

In de vorige eeuwen hebben soms minder vermogende mensen mergelgroeven voor bewoning gebruikt. Het was er sober ingericht en het comfort was beperkt tot een kachel en wat houten meubilair. Soms genoten de grotbewoners een zekere bekendheid. Zoals Greetje Blankers, die pas in 1971 op 83- jarige leeftijd noodgedwongen haar grotwoning op de Sint Pietersberg verliet. In de Eerste Wereldoorlog zocht een Belgische familie een veilig heenkomen over de grens met Nederland en bewoonde de Maarendalgroeve. Fotos van hun verblijf en leefwijze haalden toen zelfs de publiciteit. Bij de toeristen in Geulhem en Valkenburg waren de rotswoningen rond de vorige eeuwwisseling een ware attractie en pikten de oorspronkelijke bewoners wel eens een graantje mee door gewillig te poseren voor fotos. Ook daar zijn diverse voorbeelden van bewoning in dit artikel benoemd.

In de archieven vonden de auteurs een verhaal van een grotbewoner in Bemelen, die in 1730 een kalf verkocht en twee weken later door enkele gemaskerde mannen werd overvallen, waarbij ondermeer de opbrengst van de verkoop van het kalf gewelddadig geroofd werd. Ook de inwonende moeder werd daarbij gemolesteerd. De werkelijke aanstichter van deze overval was meer dan vermoedelijk de koper van het kalf, maar werd pas na tien jaar in Valkenburg gearresteerd. Hij bekende zijn wandaad en nog vele andere en werd uiteindelijk in 1741 veroordeeld tot een lijfstraf en verbanning uit het land van Valkenburg.

Bij het lezen van dit relaas dringt zich de vraag natuurlijk op wr deze overval heeft plaats gevonden. Alle mogelijke groeven rond Bemelen, die in aanmerking zouden komen, worden nauwkeurig bekeken. Een zeker antwoord krijgen de onderzoekers niet, maar de Mettenberg III zou heel goed hiervoor in aanmerking kunnen komen.

De auteurs maken ook melding van de Mettenberg VI. Een geheimzinnige groeve, waar men de ligging zo goed als zeker van weet, maar waarvan de ingang ingestort is. Oudere inwoners wisten zich de instorting nog te herinneren, ook dat de toen door de plaatselijke boeren gestalde materialen, karren en gereedschappen voorgoed in de groeve gebleven zijn. Bij de ontginning van de Mettenberg V is men mogelijk op een deel van dit gangenstelsel gestoten, maar het leegstromen van een geologische aardpijp heeft de toegang daar ook voorgoed gesperd.

Schuilkelders in Eys en Overeys uit de Tweede Wereldoorlog
Ger Wishaupt

De opmars van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog vorderde gestaag. Ook in Eys en Overeys was dat te merken, want de daar aanwezige Duitsers begonnen op grote schaal voorbereidingen te treffen om zich met hand en tand te verdedigen. De bewoners begonnen zich grote zorgen over hun veiligheid te maken en besloten tot het graven van een schuilkelder. In Eys werd daartoe in het kalksteentalud van de Grachtstraat de juiste plek geschikt geacht. Men ging volgens een weldoordacht plan van start.

Mijnwerkers uit het dorp begonnen in mei 1944 aan hun klus. Het benodigde gereedschap voor het hakken en kappen, zoals een compressor, afbouwhamers en stutten, werd hun ter beschikking gesteld door de toenmalige directeur van de Staatsmijnen in Limburg. De bedoeling was twee ingangen te maken, die veertig meter uit elkaar zouden liggen. De ingangen zouden zon vijftien meter loodrecht de wand in worden gedreven en dan op het einde met elkaar verbonden worden. Die verbindingsgang diende dan als schuilplaats. Deze U-vorm bood de meeste veiligheid. Toen in juni 1994 het geheel gerealiseerd was, besloot men vanaf de rechterhoek in zuidelijke richting een extra nooduitgang te maken. Deze zou uitkomen in de flank van de Boerenberg bij de Agathastraat. In augustus was deze gang gedreven en in september werd de schuilplaats plechtig ingezegend.

Er zijn nog veel ooggetuigen, die zich tot in de details weten te herinneren dat ze er geschuild hebben. Dat na een dikke zestig jaar niet alle details precies overeenkomen, maakt het verhaal juist leesbaarder. Op 14 september bereikten de Amerikanen het dorp. Er was hevige tegenstand van de Duitsers en na twee dagen werd Eys eindelijk bevrijd. Tijdens de felle beschietingen en gevechten zaten de inwoners dagenlang veilig in hun schuilkelder. Gelukkig was Eys toen een klein dorp en vonden alle bewoners een veilige plek. Van de schuilkelder is alleen de voormalige nooduitgang nog als toegang intact. De groeve wordt sinds kort beheerd door de stichting Ir. D.C. van Schaik en de auteur van dit artikel is als beheerder aangesteld.

Ook in Overeys werd een soortgelijke U-vormige schuilkelder aangelegd. Dat gebeurde langs het zogenaamde Hoge Bergpad in de kalksteen van de Kampsberg. De bouw geschiedde eveneens door de plaatselijke mijnwerkers met het benodigde materiaal, dat door de Staatsmijnen ter beschikking was gesteld. Heel bijzonder is dat er nog fotos van de bouw van de schuilkelder bewaard zijn gebleven. Bij werkzaamheden buiten de schuilkelder gebeurde nog een tragisch ongeluk, dat uiteindelijk de betreffende mijnwerker het leven zou kosten. Ook deze kelder werd tijdens de woelige dagen van de bevrijding intensief gebruikt, want ook hier zijn gelukkig nog vele ooggetuigenverslagen voorhanden. Tegenwoordig zijn er nauwelijks nog sporen van de schuilkelder in de bergflank zichtbaar in en is het betreden helaas onmogelijk.