SOK-Mededelingen 57

Terug naar SOK-Mededelingen Samenvattingen


Een apart stelsel in de “Grote Berg” van Zichen Zussen Bolder
door Peter Jennekens, Roger Magnee & Frans Willems

Evenals de Pitjesberg en de Roosburg bestaat de Stasberg of Sjonkelenberg, beter bekend onder de naam Lacroixberg, uit diverse losse stelsels die middels doorbraken met elkaar verbonden zijn en zo één gigantische groeve vormen. De auteurs gaan op een van die stelsels dieper in en wel het gedeelte dat in de volksmond bekend staat als “het Zwart”.  In verre tijden heeft er een grote brand gewoed in een deel van het stelsel en die heeft de wanden zwart gekleurd, vandaar de naam.  Wat de oorzaak van de brand is geweest, is onbekend.
Een bijzonder deel van het stelsel is de zogenaamde toegangstunnel, die uit maar liefst drie delen heeft bestaan. Het verloop van de tunnel wordt nauwkeurig beschreven en gereconstrueerd.  Verder werd het aangrenzende deel, het Zwart, uitvoerig geïnventariseerd.  Karresporen, ontgintechnieken en oude opschriften hebben de bijzondere aandacht. Uit de 16e eeuwse opschriften, waarvan sommige uit 1561, blijkt dat het een (cultuur)historisch bijzonder waardevol gebied is.
Een ander deel van de groeve, de zogenaamde Nieuwe Berg, heeft een lichtelijk misleidende naam, want zo nieuw is dit deel niet. Ook hier zijn 16e eeuwse opschriften terug te vinden. Zeer waarschijnlijk is de Nieuwe Berg vanuit de eerder vernoemde tunnel ontgonnen. Ook dit deel werd uitvoerig bestudeerd. De resultaten van deze studie van Het Zwart zijn verwoord in dit artikel.

De Ganzendriestunnel
door John Caris

Groevenonderzoek heeft in verreweg de meeste gevallen betrekking op een gangenstelsel en alles wat zich daarin bevindt. Zelden is een ingang onderwerp van studie. De ingang tot een stelsel is in de ogen van velen niet meer dan dát en dus slechts een middel tot een doel. Toch zijn er enkele toegangen tot onderaardse kalksteengroeven aan te wijzen waarmee veel meer aan de hand is dan op het eerste gezicht lijkt. Zo ook de huidige hoofdingang van het Noordelijk gangenstelsel. Deze toegang tot het Noordelijk gangenstelsel bestaat uit een 117,9 meter lange tunnel die gelegen is aan de Ganzendriesweg in de voormalige gemeente Sint Pieter. Deze tunnel die daarom ook wel Ganzendriestunnel genoemd wordt, en vroeger ook als de ‘Ingang van Ceulen’ bekend stond, ligt in de oosthelling van de Sint Pietersberg . De tunnel geeft toegang tot het meest noordelijk gelegen deel van het gangenstelsel van de Sint Pietersberg. Door toedoen van D. van Schaik in de jaren ’30 van de vorige eeuw heet dit deel het Noordelijk gangenstelsel of kortweg Noord. Daarvóór stond deze groeve bekend als de ‘berg van Ceulen’, ‘berg van de burgemeester’ of als ‘de Kleine berg’.
De ingang waardoor toeristen en andere geïnteresseerden het stelsel binnengaan, maakt enkele vreemde bochten terwijl het toch voor de hand ligt en efficiënter is een rechte tunnel aan te leggen. Ook is er een aanzienlijk verschil in het vloerniveau van de tunnel en een wisselende ganghoogte. De Ganzendriestunnel is dus een bijzondere toegang die bij nadere beschouwing veel vragen oproept. Hoe oud is de tunnel en waar heeft deze tunnel zijn vreemde constructie aan te danken. Deze vragen worden deels beantwoord door bronnenonderzoek en veldonderzoek. 

 

De kuil Wiricus Tans, Visésteenweg 261 te Zichen
door Ton Breuls

Soms helpt het toeval een nieuwe groeve of kuil te ontdekken. In dit geval begint het verhaal met een te koop staand huis in Zichen. De aspirant-koper wilde wat meer inlichtingen hebben over de stabiliteit van de kelder en wendt zich tot de gemeente Riemst. Om een beter beeld te krijgen van de vraag ging de groeveopzichter Duchateau poolshoogte nemen in de kelder en ontdekte dat het hier om een heuse kuil gaat.
Een nieuwe kuil? Niet voor de buurtbewoners, maar wel in die zin, dat ze bij het publiek (lees: de berglopers en -onderzoekers) en de gemeente onbekend was. Ze was in ieder geval nog nooit ergens genoemd en ze werd nog niet geïnventariseerd en beschreven. Dit artikel beoogt daar verandering in aan te brengen.
Na een uitgebreide inventarisatie van de kuilen in Zichen en Zussen in de jaren ’80 van de vorige eeuw presenteerden Berno Huls en de auteur dezes hun bevindingen in SOK-Mededelingen 16 (februari 1991). Twee artikelen in latere uitgaven brachten nog kleine of geactualiseerde correcties aan in de oorspronkelijke bevindingen. Uit gesprekken met “anciens” van Zichen en Zussen bleek daarna dat we “eigenlijk alles wel gevonden hadden”. Alles wat bekend was natuurlijk. Wat niet bekend is, kan men immers ook niet gevonden hebben. Nu blijkt dat bij navraag bij de buurtbewoners deze kuil wél bekend was, maar toch is ze destijds niet in beeld gekomen of gebracht, terwijl menigeen toch op de hoogte was van het onderzoek. Was de kuil in hun ogen te klein en te onbeduidend om de onderzoekers er op te attenderen? Werd ze als een kelder beschouwd en niet als kuil (h)erkend?
Het gebeurt nog maar zelden dat weer een kuil toegevoegd kan worden aan de lijst van toegankelijke kuilen in Zichen en Zussen. Maar deze “nieuwe” kuil is gelukkig de spreekwoordelijke uitzondering, die de regel bevestigt.